Geschiedenis
Ontwikkeling van het
ras
Over de oorsprong van de Noorse Boskat is eigenlijk weinig bekend.
Mogelijk hebben de noormannen op hun lange scheepvaartreizen katten,
zowel lang- als kortharige, meegenomen uit diverse landen.
Wat hun voorouders ook waren, vast staat dat het hier om een oud ras
gaat.
In Scandinavische sprookjes werd al gesproken over de “Huldrekatt”; de
kat met de pluimstaart.
Het klimaat en de leefomgeving van Scandinavië hebben min of meer het
uiterlijk bepaald van de Noorse Boskat.
Uiteindelijk heeft de natuur dus de grootste rol gespeeld bij de
ontwikkeling van het ras.
De Noorse Boskat heeft zich gedurende generaties aangepast aan het koude
regenachtige klimaat van Scandinavië door het ontwikkelen van een
halflangharige waterafstotende bovenvacht en een wollige ondervacht; een
zogenaamde dubbele vacht.
De vettige, gladdere dekharen van de bovenvacht zorgen ervoor dat de kat
bij nat weer niet drijfnat wordt en de wollige ondervacht, die zich
vooral in de winterperiode goed ontwikkelt, zorgt ervoor dat het dier in
deze periode bestand is tegen de koude. Het is dan ook niet
verwonderlijk dat de zgn. dubbele vacht een typisch raskenmerk is van de
Noorse Boskat.
In de vrije natuur van Scandinavië, waar nog steeds “wilde” boskatten
voorkomen, schijnt de leefomgeving van invloed te zijn op de kleur en
aftekening.
De meningen zijn hierover verdeeld, maar het is een mooi verhaal!
Zo komen aan de kust, waar kale en donkere rotspartijen zijn te vinden,
voornamelijk zwarte en blauwe katten voor. De tabby’s daarentegen
(gemarmerd, gestreept en gevlekt) schijnen het meest voor te komen in
midden- en oost Noorwegen. Deze tabbytekeningen geven het dier immers
een perfecte schutkleur in hun woon- en jachtgebied. De rode en
schildpadkatten (deze laatste groep zijn genetisch bepaald altijd
poezen) worden voornamelijk aan de westkust aangetroffen tussen de
roestrood gekleurde rotspartijen. Deze verdeling van kleur- en
aftekening over zo’n groot gebied laat zien dat het zich hier om een
echt natuurras handelt.
De door het leefgebied ontstane kleur- en aftekeningverdeling werd
opgemerkt, doordat er een samenhang bleek tussen showlokaties en de
daarop voornamelijk uitgebrachte kleur c.q. tekening van de ter keuring
aangeboden katten.
Voor witte katten tenslotte, zou het door het bovenstaande aannemelijk
zijn deze te plaatsen in het Hoge Noorden (sneeuw), maar gezien het feit
dat een kat niet, zoals de Hermelijn, een verschil tussen zomer- en
wintervacht kan ontwikkelen, lijkt dit niet waarschijnlijk. Met
zekerheid is er niets te zeggen over de afkomst van witte katten in het
algemeen.
Fokgeschiedenis en Raserkenning
De Noorse Boskat was in Scandinavië jarenlang een
algemene verschijning en er werd in de dertiger jaren al sporadisch mee
gefokt. Vóór de tweede wereld oorlog schijnt er zelfs al één op een show
te zien zijn geweest. Na deze tijd herleefde de belangstelling pas weer
echt in de jaren zeventig. In deze tijd bleek namelijk dat het ras met
uitsterving werd bedreigd door de groeiende populatie kortharige katten.
De Boskatten kruisten met de kortharen, die echter dominant kortharig
vererfden en zodoende de halflangharige Boskatten drastisch in aantal
terug brachten. Het gen voor (half-)langhaar is namelijk recessief
t.o.v. het gen voor korthaar. Voor het behoud van het ras werd in 1975
door een groep Noorse fokkers de “Norsk Skogkattring” opgericht met
behulp van de NNR (Norsk Rassekattkubbers Riksverbund) en werden er
experimentele stambomen afgegeven voor de fok. Een erkenningscommissie,
genaamd de ‘Avlsrat’, moest erop toezien dat er alleen met de door hun
goedgekeurde en van experimentele stamboom voorziende dieren werd
gefokt. Het vinden van katten die aan de eisen voldeden was moeilijk en
hun aantal bleef beperkt. Lijn- en inteelt was in den beginne dus niet
te vermijden. In 1976 lukte een erkenningspoging van de Noorse fokkers
op de FiFe-bijeenkomst in Wiesbaden slechts ten dele. De Noorse Boskat
werd wel erkend als ras maar niet met de officiele CAC status. In 1977
probeerde men het opnieuw en toen lukte het Dhr.C.F. Nordane met veel
moeite de FiFe ervan te overtuigen het ras met CAC status te erkennen.
Dit gebeurde slechts met behulp van fotomateriaal en beschrijvingen!! De
foto’s die gebruikt werden voor deze erkenningspoging waren van een
prachtige zwart gestreepte met wit-kater, genaamd PAN’S TRULS, van de
fam. Nylund uit Noorwegen. Het waren zijn foto’s die de FiFe deden
besluiten om tot erkenning van het ras over te gaan, daarom wordt Pan’s
Truls ook wel de stamvader van de Noorse Boskatten genoemd. Overigens is
het duidelijk dat dit geenszins een gemakkelijke manier is om een ras te
laten erkennen, maar vanwege de strenge in- en uitvoer bepalingen van
Noorwegen ( wel eruit, maar terug quarantaine problemen) kon het niet
anders.
